
De Anschluss van 1938

De Anschluss van 1938




























































Anschluss Oostenrijk bij het Derde Rijk 1938 Dollfuss werd slachtoffer en Schuschnigg negeerde het verlangen van zijn volk, Seys Inquart rook zijn kans.
2.Oostenrijk na 1918
3.Bondskanselier Dollfuss
4.“Referendum” van Dr Schuschnigg
5.Seyss-Inquart
6.De Anschluss
1. Oostenrijk voor 1918
De hereniging van Duitsland en Oostenrijk in 1938, genoemd Der “Anschluss”, heeft een lange voorgeschiedenis. De Staats-gemeenschappelijkheid van de Duitse landen met inbegrip van die staten die later het keizerrijk Oostenrijk vormden, begon in het jaar 911 met de verkiezing Konrad I tot koning van de Oost Frankenrijken, voor wat spoedig de naam “Rijk der Duitsers” en later het “Heilige Roomse Rijk Duitse Naties“ aannam. In het jaar 1273 ging de troon van dit rijk voor het eerst over naar een vorst uit het Huis Habsburg, voordat zij vanaf 1438 ononderbroken in dit vorstendom tot 1806 verbleef. Zo waren de landsdelen van het Huis Habsburg bijna duizend jaar lang een intergraal deel van het Duitse rijk, en de vorsten van Habsburg gedurende de laatste 368 jaren tegelijk koningen en keizers van Duitsland. Ook na ontbinding van het eerste Duitse rijk in het jaar 1806, en in 1815 toen de Duitse Bond werd opgericht, werd het tot 1866 opnieuw door de het hoofd van het Huis Habsburg bestuurd.

“Duits-Oostenrijk is een democratische republiek...... Duits-Oostenrijk is een onderdeel van de Duitse republiek”

“Duits-Oostenrijk zal nooit het doel uit het oog verliezen om middels een vreedzame politiek de hereniging met het Duitse rijk te verwezenlijken.”
Beide ambities voor hereniging, zowel het Oostenrijkse als ook het Duitse moesten spoedig onder druk van de geallieerden overwinnaars uit de twee grondwetten verwijderd worden. Doch de wens naar een vereniging van Oostenrijk en Duitsland was daarmee niet verdwenen.
De tijd van de Duits-Oostenrijks scheiding van 1866 tot 1918 had overeenkomsten met de Duitse deling na de Tweede Wereldoorlog. De 54 jaren van de Duits-Duitse scheiding sinds 1866 hebben het verlangen om bij het zelfde volk te horen, in Duitsland en in Oostenrijk even zo weinig laten sterven dan de 45 jaar Duitse deling bij de Duitsers in West Duitsland en DDR na 1945.
2. Oostenrijk na 1918
In 1931 waagden Oostenrijk en Duitsland nog een keer een toenaderingspoging met een Duits-Oostenrijkse douane-unie. Ook deze mislukte opnieuw door protest van “der Siegermächten” . Vanuit het gezichtspunt van de overwinnaars was er op het verbod van de Duits-Oostenrijkse hereniging slechts één argument, t.w: : Met het aaneensluiten van Oostenrijk met het overwonnen Duitsland zou het verlies aan land en mensen weer gecompenseerd zijn. Doch deze rekensom van de “der Siegermächten” minachtte de door hun zelf opgestelde regels inzake het zelfbestemmingsrecht van volkeren.
De 20 jaar waren voor Oostenrijk arm en bitter. Het economische netwerk van Habsburg was vernietigd. Het aantal werkelozen klom op tot 557.000. De buitenlandse schulden van Oostenrijk waren spoedig niet meer te dragen. De hoop op een latere hereniging met Duitsland beef in Oostenrijk ongebroken, en alle politieke partijen - m.u.v. de Monarchisten en Marxisten - waren het daar over eens en uitten dit steeds weer opnieuw. Zo herinnerde de “Führer” aan de Sociaal-democraat Dr. Renner in 1928 in zijn openbare toespraak:
“ Heden, 10 jaar na de 10-de november 1918, en nog steeds houden wij ons trouw aan dit besluit vast en bekrachtigen het met onze handtekening. ..... De Vrede van Sint Germain heeft het zelfbestemmingsrecht van de Duitsers in Oostenrijk vernietigd. ..... Laat de Oostenrijkse burgers er vrij over stemmen en zullen met 99 van de 100 stemmen tot de hereniging met Duitsland besluiten”
3. Bondskanselier Dollfuss

In de zomer van 1936 kwam het onder een zachte druk van Italië tot een benaderingspoging van de beide Duitstalige landen. in juli 1936 werd een Duits-Oostenrijkse overeenkomst gesloten inzake de normalisering en de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide staten. Duitsland erkende hierin de “volle soevereiniteit van de bondsstaat Oostenrijk en Oostenrijk erkende uitdrukkelijk een “Duitse staat” te zijn. Aanvullend verzekerde Schuschnigg schriftelijk daarop : “Vertegenwoordigers van de tot dusverre zgn. Nationale Oppositie in Oostenrijk voor medewerking aan de politieke verantwoording te betrekken”. Ondanks deze gesloten overeenkomst liet de druk van de dictatuur in de Donau-staat het niet afweten. Voor hen lieten de positieve economische ontwikkelingen, zoals in Duitsland, op zich wachten. Bijzonder veel mensen uit het werknemersmilieu zagen een Anschluss als economisch hoopgevend. Zo werd de Anschluss van Oostenrijk aan het Duitse rijk weer een attractief perspectief. Hierbij kwam dat de dictatuur van Oostenrijk zich nauwelijks onderscheidde van die van Duitsland, zodat er eigenlijk geen rede was om de Anschluss af te wijzen. In dezelfde tijdspanne sloten de Saarlanders zich met 90,8 % pro-Duitsland-stemmen bij het Duitse rijk aan. Bondskanselier Schuschnigg, die de drang naar een Anschluss onder brede laag van de bevolking kende, vroeg om een staatsbezoek bij Hitler.

Het gesprek van de twee dictators, Schuschnigg en Hitler, is een zeldzame strijd geweest. Hitler wierp Schuschnigg veel verwijten voor de voeten, nl. het optreden van de politie in Oostenrijk tegen de Nationaal-socialistische partij, de grensversperringen tegen Duitsland en nog veel meer. Hitler legde Schuschnigg een “lijst met Duitse voorstellen voor een definitieve regeling van het Oostenrijkse vraagstuk” voor. Deze wezenlijke eisen luidden:
Politieke bewegingsvrijheid van de Oostenrijkse Nationaal-socialistische Partij voor legale werkzaamheden in het kader van het “Vaderlandse Front”. Amnestie voor alle, voor politieke activiteiten, gevangengenomen Nationaalsocialisten, herstellen van de persvrijheid, voorbereiding voor de aansluiting van de economische systemen van beide landen
Daarvoor in de plaats verzekerde de Duitse rijksregering dat het Duitse partij-apparaat zich niet zou inmengen in de Oostenrijkse binnenlandse verhoudingen. Het “voorstel” eindigde (uiteraard) met een ultimatum waarmee bondskanselier Schuschnigg zich tegenstribbelend ten slotte instemde. En dat was dat de voorgestelde maatregelen voor 18 februari zouden worden doorgevoerd.
4. “Referendum” van Dr Schuschnigg
Nu trad de bondkanselier Schuschnigg naar voren. Hij stelde op 9 maart, geheel verrassend, betreffende de Anschluss een referendum voor, en wel voor de komende zondag. Dat was dus 4 dagen later. De korte vastgestelde tijd en veel andere dingen tonen aan dat de bondskanselier in paniek handelde. Hij liet het na om - zoals de grondwet het voorschreef - het kabinet over zijn voorgenomen referendum te raadplegen. Omdat er sinds 1929 , zowel op bondsniveau als op landsniveau, geen verkiezing meer waren geweest, waren er in Oostenrijk geen actuele kiezerslijsten meer voorhanden. Daarbij had Schuschnigg opdracht gegeven dat de stemmentelling alleen voor het “Vaderlandse Front” voorbehouden was, als ook zo voor het regeringskamp. En verder begrensde Schuschnigg leeftijd van de kiezer naar beneden op 25 jaar. Hij vreesde dat in het bijzonder alleen jonge kiezers tot een Anschluss met het Duitse rijk zouden tenderen. Bovendien werd er opdracht gegeven dat mensen die bij de openbare diensten werkten op de dag van de verkiezing, op te sluiten in hun afdeling, onder toezicht naar de stembus te laten gaan, en hun stembiljet geopend aan hun leidinggevende moesten overhandigen. En als laatste besloot Dr Schuschnigg dat in de stembureaus alleen stembiljetten met de opdruk “JA” mochten worden uitgegeven, wat een “ja” voor onafhankelijkheid (dus géén Anschluss) inhield. Voorts onderhandelde kanselier Schuschnigg in aller ijl met de leiders van de tot dan toe verboden partijen en de aangesloten vakbonden om hun voor een stemadvies tegen de Anschluss te winnen. Als prijs verlangden de zo plotseling aangesproken leiders dat hun partijen onmiddellijk weer zouden worden toegelaten, en eisten dat hun duizenden, in concentratiekamp geïnterneerde, partijleden eindelijk vrijgelaten zouden worden.
5. Seyss-Inquart


6. De Anschluss

Op 11 maart ca. 14.30 uur volgde het reeds verwachte telefoontje van Seyss-Inquart uit Wenen bij Göring in Berlijn. De Oostenrijkse minister van Binnenlandse zaken deelde minister Göring mede dat bondskanselier Schuschnigg nog steeds niet wil inschikken om het referendum te verschuiven. Göring informeerde Hitler over het nieuws uit Wenen. Beiden zagen dat er geen kans meer was op een fair referendum over het Anschluss-vraagstuk. Zij besloten nu direct in het Oostenrijkse gebeuren in te grijpen en Schuschnigg door Seyss-Inquart te vervangen. Göring bracht met instemming van Hitler de eisen van Hitler over aan Schuschnigg ; het referendum te verschuiven en Seyss-Inquart te belasten met het vormen van een nieuwe regering. Schuschnigg probeerde nu met een bliksemactie zich van de rugdekking van Mussolini te verzekeren. Doch deze wees dit idee af. Schuschnigg gaf aansluitend “op aanraden” toe. Hij liet Hitler mededelen dat hij er mee akkoord ging het referendum te verschuiven. Doch Göring liet zich nu niet meer met slechts een verschuiving van het referendum afschepen. Hij stuurde een volgend ultimatum en eiste de onmiddellijke benoeming van Seys-Inquart tot bondskanselier, anders zou er een inval volgen door de Wehrmacht. Nadat Seyss-Inquart aan kanselier Schuschnigg deze boodschap overhandigd had, gaf de bondskanselier op en maakte via de radio zijn terugtreden bekend.

Bondskanselier Seys-Inquart, vers door de bondspresident beëdigd, en enkele van de benoemde ministers waren voor de begroeting van Hitler naar Linz gekomen. Seys-Inquart die geen voorstander van deze invasie was, sloeg Hitler voor ook Oostenrijkse troepen naar Duitsland te sturen om de hele wereld te laten zien dat zich hier een vrijwillige hereniging voltrok, en geen eenzijdige verovering. Hitler gaf ter plekke aan dit plan subiet uit te voeren. Reeds de volgende dag marcheerden Oostenrijkse troepen naar München, Dresden, Stuttgart en Berlijn. Zondagmorgen de 13-de maart 1938, in de vroegte van 01.00 uur rolde de eerste Wehrmacht-eenheid de Oostenrijkse hoofdstad Wenen binnen. De straten waren ondanks de nacht en koude vol van mensen. Voor de Opera was een Oostenrijks Muziekkorps aangetreden en ontving de eerste troepen in een geïmproviseerde militaire parade. Politieversperringen, die de mensen moesten weghouden bij de voorbij marcherende Wehrmacht-compagnieën, werden verbroken door de toestromende geestdriftige mensenmassa. De militaire opmars voltrok zich als het ware vóórdat de politieke Anschluss had plaatsgevonden.

Op 3 april, een week voor het referendum, verklaart de eerste na-oorlogse bondskanselier Dr Karl Renner in een interview in het NEUEN WIENER TAGESBLATT:
“ Als sociaaldemocraat en daarmee als voorvechter van het zelfbestemmingsrecht van de natie, als eerste kanselier van de Republiek Duits-Oostenrijk en gewezen president van uw vredesdelegatie in St Germain zal ik met JA stemmen”
Nog voor de legitimatie door de verkiezingsuitslag nam ook het buitenland stelling. De regeringen in Londen en Parijs erkenden al op 2 april de Anschluss, en Mussolini vergeleek het met de éénwording van Italië in het jaar 1856. Daarmee was ook art. 88 van het Verdrag van Sint Germain vervallen.
Het voor de 10-de april georganiseerde referendum werd een bevestiging voor hen die de Oostenrijkse grondwet in 1918 geschreven hebben. van de 4.284.795 kiezers stemden 4.273.884 voor de hereniging van Oostenrijk en Duitsland, en 9852 waren er tegen. Dat is 99,73 % pro-Anschluss. De Duitsers in Oostenrijk, in het zgn. “Altreich” - zo gaf de verkiezing aan - waren op die 10-de april 1938 door datgene verbonden wat de natie vormt: de gelijke taal en cultuur, de gelijke historie, het bewustzijn van saamhorigheid en de wil om bij elkaar te horen.
Site Vorkriegsgeschichte.de
Auteur Gerd Schultze Rhonhof
Vertaling Willem Zweers
Naar het boek

ISBN: 9783957681706
650 blz
In NL € 44,36